Een gesprek met Klaas Tol, Aal Sul-Tol en Jan Tol
Iedereen in Volendam kent natuurlijk Foe, officiële naam Snackbar Roma. Onder meer hun patat en zalmslaatje zijn enorm populair, zowel binnen als buiten de dorpsgrenzen. Maar niet iedereen weet misschien dat Henk Tol [Foe] en zijn vrouw Gaartje Tol–De Boer ooit in dat pand zijn begonnen met een banketbakkerij. We spreken zoon Klaas, dochter Aal en neef Jan Tol [Jan de Kip] over hoe het allemaal begon en hoe het tegenwoordig gaat in het bekende hoekpand. Vele verhalen komen voorbij: het woongedeelte in de zaak dat zowat fungeerde als magazijn en toeristenopvang, een tragisch familiedrama en 'oppassen op de brandweertelefoon' maar ook een enorm ondernemersinzicht en een gezonde dosis lef en humor waarmee een hoop voor elkaar kwam.
Henk Tol [Foe] was de oudste zoon van Klaas Tol en Aal Guijt. Gaartje Tol–De Boer was een dochter van Jan de Boer [Jan de Schilder] en Maartje Molenaar [Balie]. Aaltje de Boer, de moeder van Jan de Kip (73) was de oudste van 7 kinderen in het gezin van Jan en Maartje; Gaartje van Foe was de jongste. Henk Tol [Foe] (*20011930/†14042014] en Gaartje de Boer (*09091930/†07112010) kregen 4 kinderen:
1. Aal (*22011956), gehuwd met Evert Sul (*03061955).
2. Marie (*01111957/†16061968).
3. Nel (*04081959/†13102009), gehuwd geweest met Peter Tol [Gokker] (*24091959].
4. Klaas (*22101964), gehuwd met Marisa Keyzer (*30101968).
Marie is slechts 10 jaar oud geworden, hoe is dat gebeurd?
Aal: Ze had een kronkel in haar darm. Op zondagavond rond zes uur kwam ze huilend thuis maar het was druk in de zaak dus mijn moeder moedigde haar aan om wat te eten. Toen werd uiteindelijk dokter De Zeeuw uit de Van Baarstraat erbij gehaald. 's Nachts lag ze naast mij te schreeuwen in bed van de pijn. Ze trok de gordijnen van de rails, zo erg. De volgende ochtend om een uur of 5 heeft mijn vader haar naar het ziekenhuis gebracht. Mijn moeder kwam rond half 8 's ochtends aan en zei: “Als ze doodgaat verandert ze niet meer.” Zo slecht zag ze eruit. Ze moest geopereerd worden maar er was een ongeluk gebeurd met een Duitse vrouw en dat spoedgeval moest voorgaan, werd er gezegd. Mijn vader schreeuwde dat Marie geholpen moest worden. Uiteindelijk werd ze meegenomen en de operatie was zelfs geslaagd, alleen toen begaf haar hart het. Tien jaar oud.


Jan: Daar zijn Foe en Gaartje nooit overheen gekomen. Ze konden er ook niet over praten met elkaar. Wij mochten nooit iets zeggen. Als we dan in het bijzijn van Gaartje iets zeiden dan zei ze 'ssttt, Foe is beneden' en zeiden we het tegen Foe, dan zei hij op zijn beurt 'sstt straks hoort Gaartje het'. Ze konden het niet verwerken.
Aal: Wij konden eerst geen recente foto vinden van Marie. Maar ik heb uiteindelijk een foto gevonden van het koperen huwelijk van onze ouders. Wij staan erop met de 3 meiden terwijl we onze wens opzeiden.
Jan: Er was een schoolvriendinnetje, Lida Tol [Stijn]. Gaartje stond in de zomer voor de deur in de souvenirwinkel wanneer Lida voorbijfietste vanuit de Pastoor van der Weidenstraat richting de Julianaweg op weg naar het zwembad. Dan brak Gaartje en zei: “Marie, kom nou terug.”

Henk en Gaartje namen het pand aan de Julianaweg 108, hoek Edammerweg, over van Herman Lautenschutz en Maartje Kwakman [Schemeravond]. Zij hadden daar een winkel met woninginrichting toen ze in 1954 naar Australië vertrokken. Thoom Sier verkocht daar ook zijn kleding voordat hij zijn eigen winkel kreeg in de Zeestraat.
Aal: Datzelfde jaar zijn mijn ouders getrouwd, op 1 juni 1954. Mijn vader had het pand gekocht voor 25.000 gulden – een vermogen in die tijd – maar Herman had als voorwaarde dat het pas werd overgeschreven wanneer zij waren aangekomen in Australië. Zij woonden boven en de winkel was beneden. Mijn ouders hebben echter een schot geplaatst midden in de winkel, om een woongedeelte af te scheiden. Daar zijn ze na hun trouwen gaan wonen. Mijn vader werkte bij zijn moeder Aal Guijt in de bakkerij van Klaas Tol in de Zeilstraat. Hij wilde echter graag voor zichzelf beginnen, zodat hij op eigen benen kon staan en zijn eigen geld kon verdienen. Zijn vader – mijn bap – was overleden toen mijn vader nog maar 20 jaar oud was, dus heeft hij altijd hard gewerkt. Toen kwam de kans voorbij om het pand op de hoek van de Edammerweg te kopen. In het nieuwe pand verkocht hij in eerste instantie ook taartjes, koekjes, chocolade en snoep. Hij moest gauw iets beginnen, want hij had zich met de aankoop aardig in de schulden gestoken. Een bakkerij was in dat opzicht bekend terrein. In die tijd werkte hij overigens ook nog in de winkel en bakkerij van zijn moeder in de Zeilstraat.


Jan: Je moet je ook bedenken, dat de uitbouw zoals die er nu is aan de kant van de Julianaweg, nog niet bestond. Dat was een grasveldje dat naar beneden afliep. Aan die kant zat een deur, de ingang van het woongedeelte.
Aal: Een klein hokje waar we met z'n zessen woonden.
Jan: Het gezin heeft wat dat betreft nooit privacy gehad, wij liepen daar als familie en als personeel door elkaar. Toen ik daar aan de slag ging werkte ik het ene moment in de snackbar en dan weer in de souvenirwinkel, als het daar druk was.
Aal: De grens vervaagde inderdaad regelmatig. Als er vracht kwam, werden de dozen met souvenirs gewoon in huis gezet en uitgepakt. Prijsjes maken, allemaal met de hand. 'Duidelijk schrijven', zei mijn moeder dan. Ons huis was op dat soort momenten als het ware het magazijn van de winkel. Wij hadden ook geen douche. Althans we hadden er een, maar toen de snackbar er kwam moest deze wijken. Mijn vader zei dat we wel naar het badhuis tegenover ons bij het Wit-Gele Kruis konden gaan. Dan kregen we een dubbeltje mee om te kunnen douchen. Ik was toen een jaar of 13. Alles voor de zaak.

Had de winkel een naam, toen deze openging als banketbakkerij?
Aal: Nee, het had geen naam. Er stond gewoon 'brood en banket' op de gevel. Ze verkochten in het begin dus taart, koekjes en dat soort dingen. De AMVO is in 1953 gebouwd en mijn vader had al gauw door dat daar bussen vol toeristen werden afgezet. Zodoende begonnen ze met het verkopen van souvenirs. In eerste instantie een ansichtkaartje en een poppetje en een paar andere kleine dingen. Dat liep als een trein en daarna werd het assortiment uitgebreid, ten koste van het banket. Mijn moeder stond bovendien in Volendammer klederdracht in de winkel dus dat maakte het plaatje compleet. Mijn vader gooide het vervolgens op een akkoordje met de buschauffeur en die begeleidde zijn groep dan naar de winkel. Maar dat winkeltje was eigenlijk veel te klein.
Jan: Die toeristen werden naar binnen geloodst en Henk leidde een deel van het gezelschap gewoon door de deur het woongedeelte in. Er stond al een pot koffie klaar op het lichtje. Ondertussen werd het andere deel van de groep in de winkel geholpen. Zodra zij weg waren en de koffie op was, waren de mensen die in huis aan het wachten waren aan de beurt. De buschauffeur stond verwachtingsvol bij de kassa te kijken wat de opbrengst was. Gaartje vond het geweldig, ze leefde voor die winkel.

Wanneer is de snackbar in beeld gekomen? Rond 1960 was er voor het eerst patat te koop in Volendam, toch?
Aal: Er kwamen in deze tijd zoals gezegd veel toeristen naar Volendam. Dat was aanleiding voor de eigenaar van de AMVO om te klagen dat de mensen uit het raam aankeken tegen de 'ropen' met onderbroeken van de huizen aan de Julianaweg/Pastoor van der Weidenstraat. Dus of er niet iets op dat veldje naast de winkel kon komen dat dit vreselijke uitzicht kon ontnemen. Op dat moment had mijn vader aan die kant al een toonbank waar hij waterijsjes verkocht. Dus toen besloot hij in 1958 een vergunning aan te vragen en daar een aanbouw neer te zetten, zonder het tegen iemand te zeggen. De buren vroegen: “Wat gaat hier gebeuren?” Maar hij zei: “Dat zie je nog wel”. Daarna is de snackbar begonnen. Rond die periode begonnen er snackbars te komen in het dorp. Volgens ons was Evert Smit [Evert van de Molen] de eerste. Jens Kras aan de Julianaweg had de paddenstoel met patat. Aan de Edammerweg begon Kees Schilder [Kippie] een snackbar die er nog steeds is. Jub Kras op de hoek Meerzijde/Sint Jozefstraat met Jan Mooijer [Pijl] en later Jan Schilder [de Kloon] als mensen achter de bar. En op de dijk aan de Haven waar nu De Vrijheid zit, had Crelis Molenaar [Crelis Patat] zijn zaak. Wij kregen een mooie jukebox met platen in de winkel. Kees Veerman [Poes] van The Cats hield dat bij, die bracht af een toe nieuwe platen. Buiten hing een kleine speaker dus daar was ook muziek te horen. Het IJspaleis, het gedeelte binnen de winkel waar ijs werd verkocht, ging op 30 april 1958 open.


Jan: Vanaf mijn 10e moest ik helpen in de snackbar en patat snijden. En toen ik 12 was kwam er een automatiek in de snackbar – denk aan zo'n FEBO-muur – waar Henks jongste broers Jan en Ton een week in hebben gestaan. Maar zij waren bakkers van origine. Toen werd ik daar neergezet, ik zat nog op school. Toen ik daar werkte, moest Klaas nog geboren worden. Ik weet nog dat Gaartje zwanger was van hem en ik op zondagavond ijs in de machine moest gooien omdat zij de ijsemmer niet meer kon tillen. De volgende ochtend werd Klaas geboren.
Aal: Ik was ook een jaar of 12 toen ik in de snackbar werkte, en ik zat destijds op de havo. Een docent vroeg wat ik later wilde worden. Doktersassistente, zei ik. Maar ik wist dondersgoed dat zodra ik thuiskwam mijn moeder me aanzette om te werken. Of ik nu zei dat ik huiswerk had of niet. En je kreeg er ook niets voor. Als ik geld wilde verdienen moest ik buiten die uren om gaan werken, 's avonds en in het weekend.

Jan: Ik was een jongetje van 7/8 jaar oud en wist niets van een snackbar, want zo ver mocht ik niet komen. Op zaterdag haalde mijn moeder bij Gaartje koekjes voor mijn ootje en voor zichzelf. Ik mocht mee en dan vroeg ik aan mijn moeder om 15 cent. In die tijd was dat een flink bedrag. Voor dat geld haalde je een dubbeltje patat – zo'n puntzakje vol – en een stuiver mayonaise. Eigenlijk was de mayonaise in verhouding veel duurder dan de patat.
Aal: Ik ken ook nog de bestelling '40 met'.
Maakte Foe alles zelf, zoals kroketten, nasischijven en bamiballen?
Jan: In het begin niet alles. Wel de slaatjes en de patat.
Aal: Destijds was er ook niet veel meer behalve patat, slaatjes, ijs en een paar snacks zoals kroketten, gehakballen en knakworstjes. Veel snacks die je nu hebt bestonden nog niet.
Was Jaap Tuijp [Horror] de eerste die in dienst genomen werd?
Aal: Nee, hij werkte eerst bij Stork. Eerder waren ook Jan Schilder [de Grove] en Henk de Boer [Kim] bij ons werkzaam. Jaap Tuijp woonde in de Giekstraat en hielp geregeld in de bakkerij. Mijn vader wenkte Jaap of hij niet even kon helpen in de snackbar. Hij palmde hem helemaal in.
Jan: Veel mensen waren er maar kort. Henks jongere broers Do, Jan en Ton hebben niet lang in de snackbar gestaan. In de automatiek stonden slaatjes voor een kwartje maar ook nasiballen, bamiballen, kroketten en warme worsten. De bamiballen lagen onderaan, nasiballen boven, dat weet ik nog. Er stond een groen gasstelletje om het op te warmen en de warme worsten deed je vervolgens in een papiertje en dan legde je ze in de automatiek. De eerste en enige automatiek in Volendam tot de FEBO kwam. Foe had echt goede ideeën. Achter de automatiek zat een oud wc-hokje met een raampje erin. Daar in de buurt in de keuken stond een vierkant diepvrieskistje. Dan maakte Foe tonnetjes met ijs en die bewaarde hij daarin. In de zomer was er een loop waarbij de jeugd om de AMVO heen liep en heel Volendam stond langs de kant. Dus ook op de stoep bij Foe. Dat was dan één plak kauwgum. Foe opende dat raampje, stak zijn hoofd erdoorheen en verkocht zo die kant en klare tonnetjes met ijs. Hij had daar echt oog voor.
Klaas: Vroeger waren er lange ramen die doorliepen tot de vloer. Daar liep soms ook iemand tegenaan. Op een gegeven moment had mijn vader zo'n raam dichtgemaakt door er een plaat bordkarton voor te zetten. Daar had hij opgeschreven: 'hij dook door het raam, om vooraan in de rij te staan'. Later is dat allemaal veranderd.
Aal: Wij woonden daar erg gezellig. Als de dansles in de school van Niek Sombroek [Niek Cas†] op de Julianaweg voorbij was, liepen al die meiden van een jaar of 17 bij ons rond met hun haar opgestoken. Dan dacht ik 'als ik eerst maar eens zo oud ben'. Al het leven kwam daar voorbij.
Wanneer zijn jullie naar het nieuwe adres aan de Edammerweg verhuisd?
Aal: Mijn vader had de woning op Edammerweg 31 gekocht van Piet de Jong voor 50.000 gulden. Hij was van plan om er een grote luxe Italiaanse ijssalon in te beginnen. Toen overleed Marie en verging hem de zin. Mijn vader koos er toen voor om daar te gaan wonen. De woning leek wel een oud spookhuis. De Jong was namelijk blind en al jaren weduwnaar. De afspraak was echter dat hij er mocht blijven wonen tot hij zou overlijden. Het klinkt misschien cru, maar wij konden het als kinderen niet afwachten tot we naar dat huis konden verhuizen. Volgens mij is Piet uiteindelijk wel 90 geworden! In dit nieuwe huis hadden we tenminste een douche.
Klaas: Een ijzeren bak waar het min 15 was, dat wel.
Aal: Na de verhuizing verdween het tussenschot en werd de winkel één grote souvenirwinkel.
Jan: Foe had ook het plan op het Noordeinde een huis te kopen. Toen zei hij tegen Gaartje dat hij dat huis gekocht had. Waarvoor, vroeg ze. Om te gaan wonen. Nou, ik niet hoor, riep Gaartje!
Aal: Ik moet de AMVO zien, zei ze toen.
Jan: Toen heeft hij dat huis weer verkocht aan Jaap Schilder [Vik]. Foe deed veel dingen zonder overleg met zijn vrouw. En dan aan Gaartje vragen of ze meeging voor een ritje. Moest ze even tekenen bij de notaris!

Jan: Ik weet nog van een maandag van kermis. Toen zei Foe tegen Gaartje in de snackbar: “Ga anders naar huis, even een uurtje in de bank. Als je omvalt moeten we dicht!” Wat had hij nou gedaan? Hij was burgemeester Westendorp en zijn vrouw tegengekomen en had ze thuis uitgenodigd. Dus toen Gaartje thuiskwam, zaten zij daar en kon ze beginnen met koffiezetten. Foe bleef nog even in de snackbar, maar daarna kwam hij ook naar huis, want dan moest hij er toch even bij zitten. Waren wij in de snackbar gewoon 2 man personeel kwijt.
Aal: Over de burgemeester gesproken; een ander jaar had hij die ook uitgenodigd op maandag van kermis. Hij kwam die ochtend thuis en kon eigenlijk de mars niet meer maken. Mijn moeder helemaal ten einde raad, want over 2 uur zou de burgemeester komen. “Gaartje, ik ga even naar bed,” zei mijn vader toen. Komt hij toch zo 2 uur later strak in het pak naar beneden, niks aan de hand.
Klaas: Er zijn onbeperkt verhalen te vertellen. Er was een keer een optocht van brandweerlieden met oude spuiten, toen zijn ze gewoon uit de rij gehaald. Die 'ouwe' voorop met een stok in zijn hand, in Volendammer pak. Bij dat evenement liep ook een grimeur rond, die maakte mensen op. Toen trok mijn vader hem aan zijn jasje en zei: “Geef mij even een zwart snorretje.”
Jan: Maarie Mastenbroek ging elke week naar de kerk, tot ze niet meer kon. Foe hield haar een beetje in de gaten, keek of ze nog leefde, zelfs midden in de nacht. Toen ze nog kon, bracht hij haar ook nog naar de kerk. Dan zette hij Maarie achter een pilaar neer: “Hier blijven zitten.” Maar hier zie ik niks, riep Maarie dan. “Dat is de bedoeling,” zei Foe, “want Hij loert op je.”

Klaas: Hij durfde alles te zeggen. Er was lang geleden een keer brand in een huis bij een moeder en zoon. Overal brandden kaarsen en moeders was even boodschappen gaan halen en had zoonlief alleen thuisgelaten. Hij ging spelen met de kaarsen en stootte er uiteindelijk eentje om. Er ontstond een heftige brand maar gelukkig wisten ze de zoon er op tijd uit te halen. Moeders was weg dus eerst nog zoeken waar ze was. Uiteindelijk werd ze herenigd met haar zoon maar beiden waren natuurlijk enorm van slag. Mijn vader liep op ze af en zei tegen haar: “Nu moet je hem niet al te erg straffen, anders doet hij dit nooit meer.” Op die manier wist hij in een heftige situatie toch wat verlichting te brengen.
Merkten jullie er ook iets van toen de souvenirwinkel een snackbar werd?
Aal: Jazeker merkten we dat. Er draaide dan bijvoorbeeld een film in de AMVO die om half elf afgelopen was. Daarna liep de hele snackbar vol, gingen mensen nog allemaal een patatje of kroketje halen.
Jan: Je had vroeger de dansschool van Cornelissen. Als het dansen voorbij was zag je het volk al aankomen. We gooiden dan de patat in de pan en daarna konden we uitscheppen zodra ze binnenkwamen. Jan was eigenlijk een soort invalkracht, maar je werd dag en nacht opgeroepen?
Jan: Zo kan je het wel zien. Als ik wel eens op dinsdagavond even langsging om te kijken bij mijn broer, was bijvoorbeeld het ijs op. Dan ging ik het ijs draaien zodat zij weer verder konden. Dat deed je gewoon, dat hoorde erbij.
Iedereen heeft het over het slaatje of over de patat van Foe. Maar waar komt eigenlijk de naam Roma vandaan?
Aal: Roomijs, Rome, Roma.
Jan: Het was Italiaans ijs, dat werd geassocieerd met Rome. Onze bekertjes van vroeger waren blauw met wit, met het Colosseum erop afgebeeld en in grote sierletters “Roma’s IJssalon”. Er stond dan altijd een ‘M’ boven, dat stond voor Marie. Die kwam er later pas boven te staan, maar niemand wist waar dat voor was en daar kregen we nooit antwoord op, dat ontdekten we pas later.
Hebben jullie nooit overwogen om de naam te veranderen naar Foe?
Aal: Jawel! We heten inderdaad bij iedereen ‘Foe’, dus tijdens de verbouwing stelde ik voor om de snackbar officieel zo te noemen. De architect zei toen, het is zo’n mooie zaak, daar zet je toch geen ‘Foe’ op de gevel? Dat klinkt Chinees!
Klaas: Daarom, we heetten al zo lang Roma, dan konden we dat net zo goed aanhouden.
Hoe is de overname indertijd verlopen?
Klaas: We waren met z’n drieën. Mijn vader was op een gegeven moment op leeftijd, rond de 65. We stonden toen in de keuken, en ik vroeg hem, “maak je geen nasiballen?” Hij zei gewoon nee: “Als jij ze niet maakt, zijn er geen nasiballen. Ik ben 65, ik doe het niet meer”. Hij hielp nog wel, maar hij bouwde het langzaam af. Op het laatst deed hij vooral de leuke dingen. Hij ging bijvoorbeeld alle visboeren af, en na de laatste was hij klaar. Hij had alle tijd voor de kleine klusjes.
Jan: Aanvankelijk wilde hij zijn kinderen ieder een eigen zaak geven. Hij heeft ook nog een souvenirwinkel gehad op de dijk, Haven 100. Hij wilde de snackbar, de winkel en de souvenirwinkel verdelen, maar zijn vrouw Gaartje werkte niet mee! Uiteindelijk hebben de kinderen de snackbar overgenomen?
Klaas: Ja, Aal, Nel en ik hebben het samen overgenomen. Mijn vader was op leeftijd en hij vroeg ons wat we wilden. Ik wou het niet alleen doen want er zat erg veel werk aan. Ik was 7 dagen in de week aan het werk, dan had ik geen vrije tijd meer. Aal en Nel wilden toen ook meedoen zodat ik wat meer ademruimte had. Dat was ongeveer in 1995. De eerste tien jaar hebben we niets aan de winkel gedaan, daarna stonden we voor de keuze om door te gaan of te verkopen. We moesten het flink verbouwen oftewel investeren. Het gebouw voldeed niet meer aan de wettelijke eisen. Het is een grote gok geweest, maar het heeft allemaal goed uitgepakt.

Dus jullie vinden de horeca nog steeds een mooi vak?
Jan: Horeca moet wel je roeping zijn. We zeiden vroeger wel eens tegen Foe: “Als jij doodgaat en je komt terug, wat ga je dan doen?” Hij zei meteen: “Dan neem ik geen snackbar, dan ga ik kleding verkopen”.
Klaas: Ik ging altijd met mijn vader spullen halen in Amsterdam, en ik vroeg hem dan, “je was vroeger bakker, waarbij je dan op zaterdagmiddag na de laatste flip klaar bent tot maandagochtend. Nu werk je in een snackbar en sta je iedere ochtend om 6 uur met een bezem in je handen en pas ‘s avonds om elf uur gaat de deur op slot en begin je met opruimen. Waarom ben je toen gestopt met je bakkerij?” Waarop hij antwoordde: “Als ik toen had geweten dat een flip later zestig cent ging kosten, was ik nooit gestopt.” We reden regelmatig langs Bakker Bijl in Broek in Waterland, het hoekpandje waar je langs rijdt als je vanuit Amsterdam richting Volendam gaat. Mijn vader zei dan vaak dat hij het had moeten kopen, voor zoveel zakken meel. Dan hadden we een mooi leven gehad. Hij rekende alles uit per zak meel. Wij kijken naar hoeveel zakken aardappelen iets kost, maar een bakker kijkt naar hoeveel zakken meel iets kost.

Jullie hadden toen ook al een auto van de zaak?
Klaas: We hadden een bestelwagen, maar op een gegeven moment deden de knipperlichten het niet meer, spiegels waren eraf, overal deuken. Dus ik zei, dit kan toch niet meer? We besloten de auto te laten maken, dus nieuwe knipperlichten, deuken eruit, de hele auto weer nieuw. Mijn vader reed daarna, vers van de spuiterij, weer terug en kwam toen Sijmen Stein tegen. Zegt ie: “Je zou niet zeggen dat ik hier al vijf jaar in rij he!” Hij heeft ook een keer een buschauffeur benaderd en gevraagd of die zijn auto achteruit kon rijden, want in zijn tijd konden auto’s nog niet achteruitrijden! Mijn vader zat echt helemaal nergens mee. Een ander goed verhaal: tijdens een wandeling vroeg mijn vader ooit eens een lift aan een voorbijganger. Bij Henk Kras stopte een auto en de chauffeur vroeg waar Kras Recycling was. Het was precies op die plek. Zegt mijn vader: “Ik moet toevallig die kant op!” Hij stapte bij de man in en die bracht hem thuis, waarop die man vroeg; “Waar is Kras nou?” Mijn vader zei met een lach: “Waar je me net hebt opgepikt!”
Wat waren jullie plannen na de overname?
Klaas: Toen ik een jaar of 17 was wilde ik dat we de winkel gingen verbouwen net als Kippie. Een mooi Amerikaans diner, dat leek mij fantastisch. Maar mijn vader zei: “Ik zal je even de beste winkel van heel Volendam laten zien.” We stapten samen in de auto en uiteindelijk stopte hij in de Sint Jozefstraat voor de deur waar vroeger Evert Smit [Bokkum] en nu zijn zoon Jan [Jan Pitjes] woont. “Kijk”, zei mijn vader: “Deze man haalt maar de helft van de deur open, niet eens de hele deur, twee schragen en een plank en hij heeft een miljoenenomzet. Ervoor hangt een gelakt bordje met ‘Uitverkocht’. Als je dat kan onthouden, dan kan je nog wat verdienen later.”
Zijn jullie nog steeds de eigenaren?
Klaas: We runden de zaak met z’n drieën, Aal, Nel en ik hadden het overgenomen. Nadat Nel was overleden werd het voor Aal en mij te zwaar. Aal had een gezin dus die kon niet meer 40 uur per week werken. Het werd tijd voor de nieuwe generatie. Chris, de schoonzoon van Aal, was een hobbykok. Op dat moment zat hij in de bouw maar had hij erg last van zijn rug, dus vroegen we hem om bij ons in de zaak te komen. Dat probeerde hij toen uit en dat was helemaal fantastisch, hij kon daar echt zijn hart ophalen in de keuken. Rob, de zoon van Nel, kwam er ook bij, nadat zijn moeder was overleden in 2009. Hij wilde eerst sportleraar worden en was naar school gegaan, maar uiteindelijk besloot hij bij ons te blijven werken.

Chris was bij ons helemaal op zijn plek, hij kon allerlei gerechten bedenken. Hij maakte voor de grap hachee, om te kijken wat dat deed voor de verkoop, maar voordat ie het wist, stond hij drie uur lang in de keuken, tientallen van die potjes te maken! Net als de snert, dat begon als een klein pannetje om uit te proberen, nu staat er dagelijks een enorme pan te pruttelen. Zo hebben we ook geëxperimenteerd met het maken van de macaronibal. Ik maakte er eerst 30, maar ondertussen maak ik er wel 300 per keer.
Onze andere kok John begint iedere ochtend om 5 uur. Dat hoeft niet hoor, maar dat vindt hij zelf prettig want dan kan hij gewoon ongestoord z’n gang gaan. Hij werkte eerst in de vis dus hij is het gewend om ‘s ochtends vroeg op te staan. Voor ons is het heel prettig werken met deze groep, want we kunnen nu beslissen om eens een weekend vrij te nemen, omdat we weten dat het wel lekker doordraait allemaal.
Hebben jullie er vertrouwen in dat de zaak voortgezet wordt na jullie?
Klaas: Ik denk zeker wel dat ze doorgaan, als ik stop.
Jan: Rob is wel net getrouwd, Chris heeft al kinderen, dus wat dat betreft staat de volgende generatie ook al klaar!
Klaas: We hebben voor onszelf wat meer vrijheid. We kunnen bijvoorbeeld in de bouwvak of met kermis dicht. De enige vrije dag die we vroeger hadden, was met Kerst. Het slaatje en de patat van Foe zijn natuurlijk bekende begrippen, van wie zijn die recepten?
Aal: Dat was Jan Mooijer [de Bakker] maar dat is van voor onze tijd. Dat was toen nog een simpel recept van het slaatje, dat is ondertussen al honderd keer veranderd, maar tot zijn dood heeft hij bij ons gratis slaatjes gehaald.
Jan: Wij stonden achter de automatiek en hoorden hoe Jan en jullie vader naar buiten gingen. Foe stopte hem dan stiekem wat geld toe omdat die man nooit uitbetaald kreeg.
Wat zijn de meest populaire producten?
Aal: Het slaatje heeft het eigenlijk altijd al goed gedaan.
Klaas: Het zijn vooral de zelfgemaakte snacks en patat die we het best verkopen. Die recepten zijn altijd hetzelfde gebleven. We maken het meeste zelf, van de nasiballen tot hamburgers. Wat we niet zelf kunnen maken, zoals loempia’s, kopen we bij goede leveranciers. En maken jullie ook zelf de kant-en-klare gerechten?
Aal: Ja zeker, je moet bij de tijd blijven natuurlijk, nasi en bami, alles.
Klaas: We hebben vier productiewerkers beneden staan die daar de hele dag druk mee bezig zijn. Rob, John, Chris en ik zijn de hele dag bezig met nasiballen, kipsaté en macaroniballen maken. De nasi, bami, macaroni, ragout, hachee, soep en snert maken we allemaal zelf in de keuken! Rob is een bekend gezicht voor de klanten, hij staat ook veel in de winkel achter de toonbank.
Aal: Je moet steeds bijblijven, vroeger kon je het af met een kroket en een nasibal maar dat kan niet meer. Het assortiment is ruimer geworden.
Klaas: We hadden vroeger een kleine vitrine van een paar meter, en met een kwartier werk was dat bijgevuld en was dat klaar. Mijn vader was dan nog nasiballen, slaatjes of kalfskroketten aan het maken, maar dan was je gewoon klaar voor de dag. Later kwam er bijvoorbeeld een grillburger bij, satékroket, een pan nasi, pan bami… Vroeger begon je om tien uur en dan rond elf uur was je klaar met alles maken maar dat is niet meer.
Kun je iets vertellen over de website?
Klaas: Ja, dat is begonnen in de corona periode. Toen moesten we of dicht, of via een website bestellingen aannemen. We hebben uit noodzaak de website laten bouwen en dat werkte goed. Zelfs nu gaat het nog boven verwachting. We hebben wel gezegd dat mensen het moeten komen halen, we kunnen het niet meer komen brengen. Dat werd te druk. Af en toe moet ik de website noodgedwongen uitzetten, want dan kunnen we het niet meer aan.
Jan: Vroeger stonden we met drie man, nu staan ze er met zes. Nu worden er veel meer producten verkocht natuurlijk, broodjes en dergelijke.
Zijn er nog bijzondere verhalen uit de winkel die je zijn bijgebleven?
Klaas: Dat briefje van duizend zal ik nooit meer vergeten. Dat was ooit met kermis. Ik was aan het werk met Jan. Er kwam toen een meid naar binnen, die vroeg of wij een briefje van duizend gulden konden wisselen. Vroeger kon je dat grote geld controleren op echtheid door dat briefje over een stuk papier te vegen, dan kreeg je een groene veeg. Dus wij keken elkaar aan, konden we dit doen? Jan met het zweet op z’n voorhoofd, wat als ie vals was? Ik liep met dat briefje naar de keuken, naar de kalender om ‘m daaroverheen te halen. Een groene streep. “Oeh dit had nog effe gekund”, zei Jan, "dit is niet goed!” Dus ik zei, hij is juist echt! Een duizendje gaf af!
Jan: Ik heb dat inderdaad ook wel eens gehad met een briefje van duizend, met kermis. Een man die ik kende wilde wisselen. Ik keek hem aan en zei: “Ik doe het, maar als ik problemen krijg, weet ik je te vinden”. Ik telde dat geld uit en gaf hem het wisselgeld. ‘s Avonds maakte ik de kassa op, met een zakje met het kleinere briefgeld en een zakje met briefjes van honderd erin. Toen kwam Gaartje erin, vroeg ze: “Is dit het?” Ze zag daarna pas dat briefje van duizend. Zij dacht dat we voor niks open waren geweest met kermis maar dat viel gelukkig mee. Het liep allemaal goed af.
Klaas: Ook oude Doede kwam altijd in de snackbar. Hij kwam dan voor een slaatje van een tientje, met een briefje van tien gulden in z’n handen. Hij zei: “Als jij mij kan vertellen wie er op dit briefje staat, krijg je er nog een van me”. Dus ik raden, Vondel ofzo? “Bijna goed, het is Frans Hals”. Daarna ben ik de kassa ingedoken om al die namen op die briefjes uit m’n hoofd te leren, maar die vraag heb ik sindsdien nooit meer gekregen.

Als je nou voor jezelf iets in de frituur moet gooien, wat wordt het dan?
Klaas: Een satékroket.
Jan: Een nasibal met satésaus en mayonaise! Die was vroeger al uniek.
Klaas: Ja die maak ik zelf. Ik maakte vroeger ook bamiballen. We hadden daar eerst een adresje voor. Een man in Hoorn maakte die altijd, dat was zo makkelijk! Ik hoefde alleen maar te bellen, dan ging ik daarheen voor een stuk of 8 dozen met daarin 70 van die bamiballen. Die gingen allemaal de vriezer in. Jarenlang hebben we dat zo gedaan, ook toen die zaak meerdere keren werd overgenomen, totdat die leverancier ermee stopte. We bestelden daar al 50 jaar onze bamiballen. Ik heb toen die oorspronkelijke eigenaar gebeld, die aanbood om bij mij langs te komen en me het recept aan te leren. Ik heb toen zoveel bamiballen gemaakt, aan het eind was ik in staat om in de sloot te springen! Zoveel werk zit eraan.
Hoe verloopt bij jullie de kerstperiode?
Klaas: Wij hadden het eigenlijk voor Kerst altijd druk, tot aan kerstavond, en Eerste en Tweede Kerstdag was voor ons vakantie. Alle andere dagen waren we open, dus alleen met Kerst en op 1 januari hadden we vrij. Nu hebben we het vooral op de dag voor Kerst druk, maar nu is het wel te overzien, alles is veel moderner. We zijn beide kerstdagen dicht.
Jan: Vroeger waren jullie altijd open op Tweede Kerstdag! In de periode van jouw ouders, daarna hebben jullie besloten om de tent op die dag dicht te doen.
Klaas: Mijn vader had ook wel eens geld nodig, dus soms legde hij een tientje opzij in een van de vazen van de souvenirwinkel, als een soort spaarpotje. Op een dag kwam mijn vader de winkel in en kon hij die vaas nergens vinden. Bleek dat Aal hem had verkocht!
Aal: Ja dat wist ik niet! Ik was mooi trots dat ik eindelijk die vaas had verkocht. Die stond al dertig jaar op die plank. “Dat is mijn spaarpot!” riep mijn vader toen. De mensen die deze vaas hebben gekocht, hadden een goede meevaller.
Jan: Hij is nog naar buiten gegaan om de kopers te zoeken, maar dat is denk ik niet gelukt.
Klaas: Ik stond altijd op zaterdagavond in de snackbar tot een uur of tien, toen ik een jaar of zestien was. Dan wil je natuurlijk mooi graag naar de dijk. Maar naast ons was op een avond een feestje, dus mijn vader vroeg of ik daar bitterballen langs wou brengen. Ik vond dat prima, ik bracht een stuk of 20 van die ballen langs. Die mensen zagen dat natuurlijk en zij dachten: dit is top! Dus de week erna hadden we ineens 3 of 4 bestellingen. Dus stond ik op zaterdagavond tussen tien en elf uur bitterballen te bakken voor een dubbeltje per stuk. Daar ben ik toen vrij snel mee gestopt, maar mijn vader vond het wel een prettig idee om mij zo lang mogelijk uit de bar te houden op die leeftijd.

Aal: Er was eens een concert op het Europaplein, dat tot een uur of tien duurde. Maar wij gingen dan normaal gesproken dicht. Mijn moeder wilde echter openblijven want mensen hadden na zo’n show natuurlijk mooi veel honger. Dat bleek een gouden zet te zijn, de hele snackbar stond vol.
Jan: En als we dan afsloten om elf uur ‘s avonds, ging je vader buiten de straat aanvegen. Dan kwam er vaak nog iemand naar hem toe die nog een slaatje wilde. Maar wij hadden dan alles al afgewassen en opgeruimd. Konden we weer beginnen. Henk was ook jarenlang bij de brandweer actief en werd zeer gewaardeerd door zijn collega's voor zijn tijd als brandweercommandant.
Jan: Dat kwam er inderdaad ook bij. In de keuken van het huis hing een bel en in de gang hing een telefoon: 3500, met een pas. Wanneer Foe er niet was, moesten wij dat in de gaten houden. Wanneer de bel ging, moest je alles laten vallen en de telefoon opnemen: “Brandweer”.
Aal: En bepaalde hendels overhalen. Als de stroom was uitgevallen, was er weer een andere procedure. Er waren nog geen piepers dus op deze manier werd je opgeroepen. Als mijn ouders de deur uit waren moesten wij 'oppassen op de brandweertelefoon'.
Jan: Als er geen oppas was, kon Foe de telefoon nog doorschakelen naar Hein Schokker, die was destijds plaatsvervangend commandant. Later verhuisde het gezin naar Edammerweg 31. Maar het oppassen op de telefoon hield niet op toen de kinderen eenmaal de deur uit waren. Maarie Mastenbroek – 80 jaar oud – woonde op de punt hier op de Edammerweg, die kwam dan in huis om op te passen. Zij bewaakte de telefoon van de brandweer en haalde zo nodig de hendels over.

Klaas: Mijn vader was voor de duivel niet bang. Bij de brandweer was dat niet anders. Dan maakten ze de begroting op en zei mijn vader dat er een nieuwe auto moest komen. In het vorige Bedakkertje kwam ter sprake dat hij zonder toestemming van de gemeente een nieuwe brandweerauto had gekocht. Met Jaap Molenaar [Pink], Kees Smit [Aro] en de rest van het bestuur brachten ze bezoekjes aan onder meer Mercedes, Scania en dat soort bedrijven. Dat waren natuurlijk al gezellige uitjes. Er werden handtekeningen gezet en het werd gevierd. Alleen, het moest nog wel even ingediend worden bij de gemeente. Jaap Jonk was destijds de penningmeester. “Dat gaat niet door Foe,” zei hij. Mijn vader kwam de week erna terug met een brief voor Jaap om te ondertekenen. Hierin stond dat wanneer er in geval van een calamiteit slachtoffers vielen door ondeugdelijk materiaal, dat de gemeente dan verantwoordelijk was. Vervolgens haalde mijn vader de offerte voor de nieuwe auto weer tevoorschijn en legde deze naast de andere brief. Welke ga je ondertekenen? Zo kreeg hij het uiteindelijk toch voor elkaar. Het waren natuurlijk ook andere tijden. Als brandweercommandant was hij standaard op z’n hoede. We moesten op vakantie altijd zorgen dat we wisten waar de nooduitgangen waren in een hotel. Vanaf de tweede verdieping konden we beter naar beneden springen dan dat we de rook in gingen, daar was hij heel alert op. Ik ben pas lid geworden van de brandweer toen mijn vader al gestopt was, want hij was al mijn vader én mijn baas hier, dus dan had hij nog iets voor zichzelf. Toen ik zelf lid was, heb ik van veel lieden afscheid moeten nemen. Het was mooi om te horen dat veel van de leden bij hun afscheid zeiden dat hun tijd met Foe de mooiste periode in hun brandweercarrière was.
Jan: Er was ooit een vergadering met alle hoofden van de kazernes hier in huis, omdat er een plan was dat Purmerend en Volendam zouden fuseren. Gaartje zorgde dat er genoeg happen in huis waren, zoals toastjes met paling. Gedurende de avond zaten al die leden met grote boeken voor zich op tafel te discussiëren over van alles en Henk hoorde dat allemaal aan. Op het einde gaf hij dan een speech, zonder boek of aantekeningen, waarbij hij vertelde wat hij er allemaal wel niet van vond. Hij deed er niet aan mee, er kwam geen fusie. Hij wilde z’n eigen brandweer houden zoals die was, met alle gezelligheid, dus het ging niet door.

Aal: Hij wilde ook niet samen met de kazerne in Edam, want ‘je kan elkaar niet eens verstaan’.
Klaas: De kazernes van Edam en Volendam waren altijd gescheiden, elk met een eigen bestuur en een eigen begroting. Wel hadden ze 1 keer per jaar een gezamenlijke vergadering. Als het dan bij de kazerne op Volendam te doen was, kreeg ik meerdere telefoontjes met ‘breng effe slaatjes’, ‘breng effe 30 bitterballen’, et cetera. Als het dan in Edam was, kregen ze een stukje kaas. Mijn vader vond dat dat anders moest. Bij de eerstvolgende vergadering zaten ze daar allemaal weer in Edam, tot de deurbel ging. Iedereen keek elkaar aan; bleek er iemand van het Damhotel te staan met een doos vol salades, vis, alles erop en eraan. Dus terwijl alle Edammers zich afvroegen wie het besteld had, waren de Volendammers helemaal enthousiast en zeiden dat het goed geregeld was. Na een uur ging de bel nog een keer en werd er een schaal met kipsaté gebracht, en zo ging dat nog een paar keer door. “Duizend keer bedankt”, zeiden de Volendammers na afloop, “dit is pas vergaderen”. Na een week belde de commandant van Edam naar mijn vader met een probleem; hij had ineens een rekening gekregen van het Damhotel. Bleek mijn vader dat allemaal van tevoren besteld te hebben, op de minuut af. Waar de Edammers altijd netjes om toestemming vroegen voor uitgaves, zei mijn vader na het uitgeven dat het al te laat was en dat het er al aankwam, zoals die nieuwe brandweerauto. Zo hadden wij gewoon het betere materiaal. “Waar een goeie kat is, zie je geen muizen”, zei hij dan.
Jan: Zijn afscheidsfeest was ook geweldig. Hij gaf een speech en zei bijvoorbeeld dat hij van Gaartje altijd moest blazen bij thuiskomst, want als hij niet naar de drank rook, dacht ze waar zou hij nou weer hebben gezeten! Foe was een zeer bijzondere man, we kunnen er boeken vol over schrijven.

Met dank aan Klaas Tol, Aal Sul-Tol, Jan Tol en Cees de Wit.
Door Janine Veerman en Amanda Veerman